 |

Over voorlezen
Kinderen luisteren graag naar verhalen. En als hun papa of mama
hen verhaaltjes vertellen, is dat vaak nog fijner. De kinderen
krijgen dan even alle aandacht. Lekker dicht bij papa of mama,
voor het slapengaan, of na een druk moment op de dag... Het is
gewoon leuk en gezellig.
Waarom
voorlezen?
Voorleestips
Top-10
voorleesboeken
Wat
is een goed voorleesboek?
Meertalige
voorleesboeken
Voorleestips
Maar hoe begin je er
aan? Een handleiding “succesvol voorlezen” bestaat
alvast niet. Het is door het te doen dat je leert hoe het moet.
Maar een aantal tips kunnen we je alvast meegeven.
Tien basistips om voorlezen tot een goed eind te brengen.
1.
Voorlezen doe je op een rustige plek. Voorlezen kan in
principe overal, tenminste als er weinig of geen afleiding mogelijk
is. Dus geen lawaaierige stofzuiger op de achtergrond, tv of radio
staan af, geen pratende mensen rondom je...
2. Lees
altijd zelf op voorhand de verhalen die je gaat voorlezen. Improviseren
is leuk, en het kan zelfs goed zijn om niet al te dicht bij de
tekst te blijven, maar een goede voorkennis van het verhaal en
ook van de prenten is noodzakelijk om je van de tekst los te kunnen
maken. Kijk dus vooraf hoe het verhaal in elkaar steekt, waar
de moeilijkheden kunnen zitten, en verzin mogelijke oplossingen.
3. Probeer
steeds een boek te kiezen dat aansluit bij de ontwikkeling, de
belangstelling en de leefwereld van je voorleeskind. Laat
hem of haar in de mate van het mogelijke ook zelf kiezen. Vraag
aan je voorleeskindje wat hem of haar interesseert, en wat hij
of zij een echt mooi boekje vond. Je kan het de week nadien altijd
nog eens lezen. En -waarom niet?- de week daarop nog eens... Het
boekje voor de kinderen kan je daarbij helpen: op het eerste blad
kan je noteren wat voorleeskind allemaal boeit. En dag na dag
kan je opschrijven wat het leukste boekje was, of welk boekje
je voorleeskind nog eens wil lezen.
4. Vertel
voor je begint voor te lezen kort iets over het verhaal.
Zomaar aan het verhaal beginnen, is vaak een te abrupte start.
Als je daarentegen kort iets over de inhoud zegt (“en nu
een boek over een beertje dat gaat slapen”), dan kan je
voorleeskindje zich al een eerste beeld vormen van wat er gaat
gebeuren, en daar een verwachtingshorizon aan vasthangen. Je kan
het vergelijken met wat je doet als je een boek gaat kiezen in
de bib: de achterflap lezen om te weten wat je nu eigenlijk naar
huis meeneemt.
5. Lees
langzaam en duidelijk voor. Het doel van de Boekenbende
is niet om op 5 voorleesuurtjes zoveel mogelijk boeken te lezen.
In het boekje voor de kinderen staan dan wel per voorleesbeurt
een 6-tal lijntjes om de boeken te noteren die je gelezen hebt,
je bent daarom geen “slechte voorlezer” als je maar
2 of 3 boekjes op een uur leest. Pas je tempo en je articulatie
aan aan het begripsniveau van je voorleeskind. Hij of zij bepaalt
uiteindelijk hoe snel en hoeveel boeken je leest. Las af en toe
bewust een korte pauze in.
6. Moeilijke
woorden moet je tijdens het voorlezen uitleggen. Maar de
voorleesuurtjes zijn ook geen lessen “Nederlandse woordjes”.
Doel van de Boekenbende is boven alles dat je voorleeskind plezier
beleeft aan het voorlezen. Niet dat hij of zij beter Nederlands
gaat begrijpen of spreken. Is een bepaald woord essentieel voor
de goede begrip van het verhaal, dan vraag je best eerst of je
voorleeskind de betekenis ervan kent. Indien niet, dan leg je
het woord uit. Liefst aan de hand van voorbeelden, een tekening,
een situatie die aansluit bij de leefwereld van een 5-6-jarige.
7. Stel
af en toe vragen over het verhaal. Door tijdens het voorlezen
af en toe een vraag te stellen, kan je je kind op (meer) actieve
wijze bij het verhaal betrekken. Vragen stellen laat ook toe te
zien of je kind het verhaal wel goed begrijpt. Maar overdrijf
ook niet met het vragen stellen: de dynamiek van het voorlezen
mag er niet onder lijden. Je kan je kind bijvoorbeeld vragen hoe
het verhaal verder gaat, of hoe het zou aflopen. Je kan hem of
haar ook vragen op de prenten iets aan te duiden of iets te zoeken.
Iets moeilijker is het om naar verbanden met een ander verhaal
te vragen, of naar verhaalelementen die overeenkomen of in contrast
staan met zijn of haar leefwereld.
8. Maak
je verhaal zo levendig mogelijk, maar zonder in theatraliteit
te vervallen. Intonatie en mimiek zijn heel belangrijk
bij het voorlezen. In dialogen kan je spelen met je stem en je
gelaatsuitdrukking. Idem om bepaalde verhaalelementen te onderstrepen:
verrassing, ontknoping, spanning, ontgoocheling, blijdschap...
Maar maak er ook geen toneel van. Je bent de verteller, de doorgever
van een verhaal en niet het hoofdpersonnage van dat verhaal.
9. Verlies
je voorleeskind niet uit het oog indien er meerdere kinderen meeluisteren.
Als jongere of oudere broertjes of zusjes meeluisteren, kan het
gebeuren dat zij meer aandacht vragen dan het kind aan wie je
eigenlijk komt voorlezen. Als je een vraag stelt, zal een oudere
broer of zus makkelijk het antwoord geven, of als je naar het
begrip van een woord polst, zal een jongere broer of zus om meer
uitleg vragen. Zoiets is onvermijdelijk. En hoe meer kinderen
van je verhalen genieten, hoe beter. Maar probeer er toch voor
te zorgen dat dit niet ten koste gaat van je voorleeskind.
10. Voorlezen
gaat wel eens met vallen en opstaan. De ene dag gaat het
voorlezen je geweldig goed af. Een andere keer lijkt het helemaal
niet te lukken. Ligt het aan jezelf, aan het gekozen boek, aan
je voorleeskind...? Moeilijk om te zeggen. Niet opgeven is de
boodschap. En er eens met medevoorlezers over praten, eens raad
vragen aan je docent, aan de juf of meester van je kind, of aan
de bibliothecaris. Door ervaringen uit te wisselen over de “kunst”
van het voorlezen of door tips uit te wisselen over leuke boeken,
zal voorlezen niet alleen steeds beter gaan, maar ook leuker worden.
Wil je deze pagina printen, klik dan hier voor
een printvriendelijke versie.
|
|